Uit SpiritueelChristen

contacts

Verschillende keren heb ik in mijn artikelen en boeken geschreven over mijn inmiddels jaren geleden overleden vriend pater Amedeüs. Ik leerde de pater kennen naar aanleiding van mijn onderzoek naar bezetenheid en bevrijding, nadat ik verschillende mensen had mogen helpen om bevrijd te raken van lage geestelijke krachten.

Het geloof van pater Amedeüs kenmerkte zich door kracht en eenvoud en toen mijn vrouw en ik een dag in zijn klooster doorbrachten werd één ding al snel duidelijk: waar het hart vol van is, stroomt de mond van over. Hoewel we qua spiritualiteit niet overal hetzelfde over dachten, voelden en wisten we ons verbonden met dezelfde bron: Jezus Christus. De pater onderscheidde zich ook van zijn geloofsgenoten door de bijzondere bovennatuurlijke ervaringen die hij regelmatig had.

Inhoud

Een duidelijke boodschap

Één van die ervaringen ging over de opmerking die een zwaar gehandicapte vrouw op een dag – als uit het niets – tegen hem had gemaakt: ‘De Heer zegt dat je een grote nul bent.’ Amedeüs voelde op dat moment duidelijk dat de vrouw een doorgeefluik was en dat deze boodschap eigenlijk van God zelf kwam, maar hij begreep de strekking van die merkwaardige woorden niet. In gebed vroeg hij naderhand om een antwoord. Toen kreeg hij in een visioen een groot ijzeren hek te zien met allerlei prachtig smeedwerk eraan. Om de paar meter stond een grote pilaar die het hek overeind hield. In het eerste compartiment van het hek zag hij een grote één ingebouwd. Bij het tweede was dat een grote twee. Zo liepen de getallen op tot en met negen. En na de negen kwam de nul. Toen zag Amedeüs door die grote nul Jezus Christus rustig naar buiten wandelen. De boodschap was hem duidelijk: ‘Pas wanneer je je als mens realiseert dat je eigenlijk niet meer dan een nul bent, kan Christus door je heen werken. Eerder niet.’ Op deze manier toonde God Amedeüs de belangrijke les van de deemoed: door bewust klein te zijn, kan God groot door ons heen werken. God kan ons alleen helpen als we niet vol van onszelf zijn en we ontvankelijk voor Zijn hulp zijn.

De deemoed

Veel mensen hebben niet zoveel op met de deemoed, die helemaal niets te maken heeft met de kruiperige nederigheid die men vaak als betekenis aan dit prachtige begrip toekent. Deemoed heeft niets te maken met het feit dat we onszelf maar moeten wegcijferen. Het gaat er juist om onze eigen plek op aarde in te nemen en rekening met onszelf te leren houden en weerbaar mogen worden.

Deemoed is onze bereidheid af te dalen in onszelf om alles in ons eerlijk onder ogen te zien, ook onze minder leuke kanten. Deemoed heeft te maken met transparantie: door onze eerlijke houding tegenover onszelf maken we ons zichtbaar voor de ander. Deemoed kun je ook vertalen met eerbiedige bescheidenheid.

Een houding van zuivere deemoed komt voort uit zelfkennis en overwint de hoogmoed in ons. Zodra we het gezonde gevoel van deemoed verliezen, ontstaat er vanzelf hoogmoed omdat beide elkaar uitsluiten. In de hoogmoed maken we onszelf groter dan we zijn en stellen we ons eigen ik centraal, in plaats van dat we de aandacht vestigen op Gods Geest die in ons wil ontwaken.

Hoogmoed en de val van de engelen

Hoogmoed is dan ook de oorzaak van de val van de engelen onder leiding van Lucifer, die na zijn val – ver voor de schepping van de stoffelijke kosmos – Satan (‘tegenstander’) wordt genoemd. In het Bijbelboek Jesaja vinden we een duidelijke verwijzing naar deze val:

O Morgenster, zoon van de dageraad, hoe diep ben je uit de hemel gevallen. Overwinnaar van alle volken, hoe smadelijk lig je daar geveld. Je zei bij jezelf: Ik stijg op naar de hemel, boven Gods sterren plaats ik mijn troon. Ik zetel op de toppen van de Safon, de berg waar de goden bijeenkomen. Ik stijg op tot boven de wolken, ik evenaar de Allerhoogste. Nee! Je daalt af in het dodenrijk, in de allerdiepste put. [1]

In het evangelie van Lucas bevestigt Jezus dit met de woorden: ‘Ik heb Satan als een lichtflits uit de hemel zien vallen.’ [2] Het hoogmoedig willen opstijgen naar de hemel, boven Gods sterren zijn troon plaatsen en de Allerhoogste evenaren: dat was het doel van deze engel. Als het hoogmoedig en eigenmachtig verheffen de reden van de val is, zal de deemoed ons kunnen helpen onze oorspronkelijke plaats in de hemel in te nemen. Aanvankelijk was dit echter niet mogelijk, want door de val van de engelen, waar het overgrote deel van de mensheid direct of indirect deel aan heeft gehad, was er een onoverbrugbare kloof ontstaan tussen ons en God. Het was Jezus Christus die deze kloof met zijn leven en kruisdood heeft overbrugd. Jezus Christus is de Zoon van God, die van oorsprong zowel buiten ons als (als universele Geest van liefde) in ons leeft. Omdat de mens niet eigenmachtig kon opstijgen en terugkeren, daalde Hij naar ons af. Het was een daad van goddelijke liefde, die onze enige redding was. Onmogelijk kunnen we ons voorstellen welke lijdensweg Jezus Christus voor ons is gegaan. Hij verdeemoedigde zich tot het uiterste door als mens in deze grofstoffelijke wereld geboren te worden; een wereld die nog geheel in de sfeer van Satan gevangen was. Het kwaad hield de mensen in een ijzeren greep waardoor ze na hun dood niet konden terugkeren naar de hoogste hemelen waaruit zij ooit gevallen waren. Dit betekent overigens niet dat de mens van nature slechts is, Integendeel: de mens is van ongekende waarde en heeft zijn oorsprong in God. Voor Christus is onze waarde zo groot, dat Hij vrijwillig de lange lijdensweg voor ons is gegaan, om ons terug te geven wat wij onderweg verloren waren: de Goddelijke Geest in ons hart, de bron van licht die ons weer volledig zou maken.

De kruisdood van Jezus: het voorhangsel gescheurd

Alle mensen, die ooit als geest door Lucifer zijn meegesleurd in zijn val, dragen deze zogeheten ‘erfzonde’ in zich mee. De ware erfzonde bestaat dus niet, zoals de kerk het ons eeuwenlang heeft geleerd, uit wat Adam en Eva ons nagelaten zouden hebben, maar uit de gevolgen van onze eigen keuze in de geestelijke wereld.

Er zijn ook veel geesten geïncarneerd die geen deel aan deze val hebben gehad, zoals Henoch, Abraham, Isaäk, Jacob, Mozes, Josua, Kaleb, de meesten van de profeten, Maria, de moeder van Jezus, en vele anderen, waarvan de namen in de oorkonden van de heilige schriften niet voorkomen. Zij hadden als taak de mensheid de weg te wijzen en konden na hun dood terugkeren naar de wereld van God. Voor alle andere mensen was dit vóór de verlossing door Jezus Christus echter niet mogelijk.

De incarnatie op aarde is ertoe bedoeld dat de geestelijke levenskern van alle gevallen geesten weer wordt opgewekt om daarna op te stijgen naar de hogere sferen in de geestelijke wereld. Door de kruisdood van Jezus Christus is dit pas weer mogelijk geworden. Dit wordt onder andere duidelijk gemaakt in het Bijbelboek Mattheüs, waarin verteld wordt dat meteen na de dood van Jezus het voorhangsel van de tempel van boven naar beneden scheurde. De geestelijke betekenis hiervan is dat de toegang tot het heilige der heiligen – dat wil zeggen: de hoogste hemelse sferen – voor een ieder weer open ligt en dat de kloof, die hen voorheen van God scheidde, is overbrugd.

Onderricht voor geesten in lagere sferen

Jezus daalde na zijn stoffelijke dood af in de diepste sferen van de duisternis om daar de boodschap van de verlossing te verkondigen. De geesten die in deze duisternis (dat wil zeggen: een toestand van niet bewust zijn en oordeel) vertoefden, werden bewust gemaakt van het licht van Jezus. Ook daarvan kunnen we een duidelijke aanwijzing vinden in de bijbel:

Ook Christus immers heeft, terwijl hij zelf rechtvaardig was, geleden voor de zonden van onrechtvaardigen, voor eens en altijd, om u zo bij God te brengen. Naar het lichaam werd hij gedood maar naar de geest tot leven gewekt. Hij is naar de geesten gegaan die gevangenzaten, om dit alles te verkondigen aan hen die ten tijde van Noach weigerden te gehoorzamen, toen God geduldig wachtte en de ark gebouwd werd. [3]

De geesten naar wie Jezus volgens deze tekst afdaalde, zaten nog steeds gevangen in de donkere sferen van Satan. Hij bracht hen de boodschap van de verlossing, nu Hij Satan zelf na Zijn dood aan het kruis had overwonnen. Niet alleen de mensen werden verlost; hetzelfde gold voor alle geesten die ooit als mens hadden geleefd en die nog in het geestelijke dodenrijk vertoefden. Zij kregen opnieuw de kans terug te keren naar de hoogste hemelsferen: hun geestelijke vaderland.

De kern van de verlossing

Wie Gods liefde wil begrijpen, moet kijken naar de zoon Jezus, die alles gaf om wat verloren was te redden.

Wij kunnen menen dat onze liefde genoeg is, maar dat is niet waar. We hoeven slechts Gods liefde te aanvaarden die in Jezus zichtbaar is geworden. Johannes zegt in zijn eerste brief:

Dat wij in hem blijven en hij in ons, weten we doordat hij ons heeft laten delen in zijn Geest. En we hebben zelf gezien waarvan we nu getuigen: dat de Vader zijn Zoon gezonden heeft als redder van de wereld. [4]

Voor mij bestaat de kern van het christendom uit deze redding, deze verlossing, die we alleen vanuit een houding van deemoed deelachtig kunnen worden. We moeten ons eigenmachtig spiritueel streven loslaten en tot overgave komen, zodat de Geest het door ons heen kan volbrengen. We mogen ons (door ons geloof) bewust zijn dat we deze Geest alleen maar hoeven aanvaarden met ons hart, ons laten doordrenken met Zijn liefdevolle aanwezigheid. We mogen weten dat het goed is zo, dat we al verlost zijn en dat we daar niets aan hoeven toe te voegen. Alles is ons vergeven als we zo dat offer van Jezus aanvaarden. Dan kan er een innerlijke rust ontstaan en kunnen de vruchten van de Geest door ons heen geboren worden.

Spiritueel perfectionisme

Want ook in spiritueel opzicht kunnen we tot een eigenmachtig perfectionistisch streven vervallen. Door vanuit onszelf krampachtig te streven naar zelfverbetering, gaan we voorbij aan de Geest die door ons heen wil werken en ons wil omvormen.

Voor ons, mensen, is onze donkere kant dikwijls verdrongen naar het rijk van het onbewuste. Onze oprecht lijkende motieven zijn nogal eens vals, maar we onderkennen dit zelf lang niet altijd. Tijdens het proces van geestelijke groei komt wat verborgen is aan het licht: het onbewuste wordt bewust gemaakt, waardoor we met onze eigen duisternis worden geconfronteerd. We moeten het hoogmoedige beeld dat we van onszelf hebben, loslaten.

Met name binnen de verschillende religies en spirituele stromingen heeft men zich lange tijd gericht (of richt men zich nog steeds) op de ‘spiritualiteit van boven’: de geestelijke ideaalbeelden waarmee de zoekende mens zich probeert te identificeren. Maar zodra we onszelf met een ideaalbeeld proberen te identificeren, ontstaat er tegelijkertijd een splitsing in onszelf. Altijd zal er een kloof voelbaar zijn tussen het ideaalbeeld dat we nastreven en hoe we als mens daadwerkelijk functioneren. Er zijn nogal wat archetypische voorstellingen waarmee we ons kunnen identificeren: de martelaar, de heilige, de mysticus, de profeet, de leermeester, enzovoort. Zodra we dit doen, zal dit ons blind maken voor de aardse realiteit. Juist het inzicht in onze eigen zwakke kanten kan ons behoeden voor onbewuste verdringingsmechanismen.

Ontmaskering

Geestelijke hulpverlening bestaat niet zelden uit het helpen afdoen van het masker van een valse identiteit die iemand heeft aangenomen. Het aannemen van die valse identiteit (die heet ‘vals’ omdat die niet echt bij de betreffende mens hoort), is meestal een onbewust proces. Meestal zijn mensen helemaal vergroeid geraakt met deze valse identiteit. Ze zien zichzelf werkelijk als heilige en moeten voortdurend vechten tegen de boze wereld en hebben heel wat te verduren. Maar ondertussen koken ze van woede en hebben ze gedachten die niet echt bij een heilige passen. Of ze zijn de martelaar die alle leed geduldig over zich heen laat komen. In werkelijkheid durven ze de verantwoordelijkheid voor hun leven niet op zich te nemen en vermijden ze angstig iedere confrontatie.

Het is begrijpelijk dat een dergelijke ontmaskering nogal eens met ontkenning en verzet gepaard gaat. En ook dan zal de innerlijke genezing afhangen van het feit of men al dan niet bereid is eerlijk naar zichzelf te kijken.

De waarheid maakt ons vrij. Mensen ervaren het ook als een ware bevrijding wanneer ze eenmaal verlost zijn van de identiteit waarin ze zichzelf gevangen hebben gehouden. Vanaf nu hoeven ze immers ook niet meer krampachtig te voldoen aan de eisen die aan deze identiteit zijn verbonden.

Niets is zo genezend voor een hoogmoedig iemand, dan zijn neus te stoten aan zijn eigen zwakheden die in het dagelijks leven onverbiddelijk aan het licht komen. En een gezonde houding van deemoed is het enige middel dat ons kan behoeden voor de diepe val die met de hoogmoed is verbonden.

De universele Jezus Christus

In de bijbel worden de Farizeeën en schriftgeleerden door Jezus ‘witgepleisterde graven’ genoemd. Jezus noemde hen zo, omdat ze aan de buitenkant de regels van de wet keurig naleefden, maar totaal onbewust waren van het donker dat ook in hen leefde. Ze legden de mensen loodzware wetten op en verkeerden in de veronderstelling dat ze goed waren. Hun hoogmoed werd echter door Jezus doorzien en ontmaskerd, omdat hij hen in het hart kon kijken. En om dat hart gaat het nu precies. Met ons hart wordt de kern van ons wezen bedoeld: onze ware gezindheid, onze geest die op aarde is geïncarneerd om het geestelijke leven weer terug te vinden. De Geest van Jezus Christus ís dat leven. Hij zegt: ‘Ik ben de weg de waarheid en het leven; niemand komt tot de Vader dan door Mij.’ We kunnen dat leven niet verwerven door louter eigenmachtige inspanning. Alleen door onze weg op aarde te gaan en ons bewust te worden van alles wat in ons leeft, kan ons hart zich deemoedig voor dit leven, voor deze universele Geest van liefde openen. Want deze Geest is zoveel meer dan de mens Jezus. Ook zij, die Jezus niet bij naam kunnen noemen, kunnen deze Geest deelachtig worden. Alleen door een nul te zijn, kan Zijn Geest in ons leven en door ons heen gaan werken. Er valt een last van onze schouders als we ons bewustzijn door deze prachtige boodschap laten doordrenken!

Juist op momenten van intense machteloosheid kunnen mensen soms zomaar doordringen tot de eenvoudige kern van het geloof, die bestaat uit het vertrouwen als een kind. Want deemoed heeft ook met eenvoud te maken. Een levend voorbeeld daarvan heb ik gezien, toen mijn vader een zware en riskante operatie moest ondergaan en hij vol vertrouwen, overgave en een diepe geestelijke rust de operatie in ging. Het was voor mij een les in overgave en vertrouwen; op deze momenten komt het er immers echt op aan of ons vertrouwen een stevige basis in ons heeft of niet.

Kanaal zijn voor Hem die groter is dan wij…

Als we het licht van God op afstand bekijken, kunnen we misschien nog denken dat we uit ons eigen ik de hemel kunnen verdienen: wíj moeten goede dingen doen en ons inspannen. Wíj moeten ons best doen om geestelijk te kunnen groeien. Maar zodra we ons van hart tot hart leren afstemmen op het wezen van de Ene, zullen we ontdekken dat we een kanaal zijn. Wij kunnen ons slechts openstellen voor Zijn liefde, om die liefde te kunnen laten stromen, er te kunnen laten zijn. Deze stroom van geestelijk leven zal ons naar de plaatsen voeren waar we zouden moeten zijn. Niet wij werken, maar God werkt door ons heen.

Dat was ook de houding van waaruit pater Amedeüs zich aan God ter beschikking stelde om mensen, die in demonische invloeden verstrikt waren geraakt, te bevrijden: een grote nul zijn zodat Christus al een bevrijdende kracht door hem heen kon werken.

Zo vaak ontmoet ik mensen in mijn praktijk die vastgelopen zijn op die eigenmachtige weg van zelfverbetering, waarop ze zich krampachtig inspannen om een beter, zuiverder, liefdevoller of lichter mens te worden. Maar telkens lopen ze tegen teleurstellingen aan omdat ze het niet kunnen volbrengen. En juist dat bewustzijn is ertoe bedoeld hen bij de ware deemoed te brengen die hen opent voor de werkzaamheid van Gods Geest. Het is de deemoed die het enige antwoord is op het spiritueel perfectionisme waaronder zij lijden.

En wie zichzelf nog beter acht dan zijn of haar medemens omdat hij denkt verder te zijn gevorderd op de geestelijke weg, zit nog in de hoogmoed gevangen en heeft de les van de deemoed nog niet begrepen. Daarom, ter afsluiting deze tekst, die ons aanmoedigt een grote nul te zijn en die ons leert het valse van het ware licht te onderscheiden:

Hoe kunnen jullie het ware licht uit Mij in jullie zelf herkennen?
Als dit licht jullie opzweept tot steeds grotere prestaties,
jullie opjaagt omdat het nooit goed genoeg is,
weet dan dat Ik dat niet ben.
Dat is veeleer jullie spirituele superego.
Ik benader jullie met liefde
en met een stille aanmoediging van binnenuit.

En jullie liefde voor Mij,
die vooral opgewekt mag worden door stil te staan
bij het vrijwillige offer dat Ik voor jullie bracht,
zal jullie de kracht geven Mij in jullie leven op te nemen.
Wie zo door de liefde met Mij is verbonden,
die zal een baken van licht in jullie donkere wereld zijn.

--Roelof Tichelaar



De bijbelteksten in dit artikel zijn ontleend aan De Nieuwe Bijbelvertaling, © Nederlands Bijbelgenootschap 2004/2007.