Uit SpiritueelChristen

contacts
contacts

Inhoud

Het rijk

Lang geleden bestond er een rijk zo prachtig als het paradijs, mooier dan de kostbaarste schat en schoner dan het meest heldere kristal. Het land had een welvaart verworven, groter dan alle denkbare welvaart. De akkers waren vruchtbaarder dan waar dan ook en de opbrengst was van een onvoorstelbare grootte. Geen inwoner hoefde honger te lijden of arm te zijn.

In het rijk golden ook enkele regels. Deze regels waren er voor iedereen zijn of haar welzijn en werden dan ook door iedereen nageleefd. Dit werd geheel uit eigen vrije wil gedaan. De vrije wil stond hoog in het vaandel en het was dan ook uitgesloten dat iemand ergens toe gedwongen zou worden.

Het was dus ook mogelijk om niet volgens deze regels, die op eerlijkheid en goedheid waren gebouwd, te leven. Deze keuze werd eveneens gerechtvaardigd maar betekende ontrouw aan de koning van het rijk. De ellende die men met deze keuze op de hals kon halen had men dan ook vrijwillig gemaakt.

Vergeving van deze ontrouw was alleen mogelijk als de inwoner in kwestie zelf besloot om weer volgens de regels in het rijk te leven. De vrije wil van de inwoners werd als zeer belangrijk gezien en moest dan ook kostte wat het kost behouden blijven. Deze prachtig uitgedachte regels waren ontstaan door de goedheid, wijsheid en macht van de koning. Zijn macht was zo groot dat zelfs de meest vakkundige tovenaar of magiër leerlingen zouden zijn. Hij regeerde zoals een echte koning zou moeten regeren, met inzicht en medeleven voor zijn onderdanen. Hij was een echte leider en werd daarin bijgestaan door de oudste van zijn zeven zonen, die de functie van stadhouder had gekregen.

Iedereen in het rijk had zijn of haar eigen taak. Hoe onbelangrijk sommige van deze taken ook mochten lijken ze zorgden samen voor de bloei van het rijk. Wilde men in het rijk wonen dan moest men hier aan meehelpen. Ook dit rijk had zijn leger. Beter getraind en sterker dan welk ander leger. Trouw aan de koning tot de dood. En in het leven geroepen om het rijk tegen alles te beschermen dat de afbraak ervan tot doel had.

Het complot

De tweede zoon van de koning was net zoals iedereen zeer te vrede met zijn werk en zijn plaats in het rijk, in ieder geval liet hij dat geloven. Langzaam aan veranderde hij, hij werd jaloers op zijn oudere broer, op de plaats die hij had en de macht die hij had gekregen. Het verschil zinde hem niet, hij wilde in plaats van zijn broer de eerste zijn.

De jaloezie groeide met de dag. De koning kreeg in de gaten dat zijn tweede zoon aan het veranderen was. Steeds vaker viel het de koning op dat deze zoon met zijn vrienden geheime bijeenkomsten hield. En de koning zag dat ook die vrienden langzaam begonnen te veranderen, en niet ten goede. Ze begonnen zich te gedragen als of er een vijand in het rijk bestond. De jaloezie van de tweede zoon groeide tot haat. Hij haatte zijn oudere broer om de macht die hij had. De geheime bijeenkomsten werden bijeenkomsten van een complot tegen de heerschappij van de eerste zoon. De tweede zoon kon het niet uit staan dat zijn broer deze macht had gekregen en niet hij. Hij wilde de eerste zijn. Steeds meer sloten zich aan bij het complot. En met de belofte dat ze belangrijkere posities in het rijk zouden krijgen, lokte de leider van het complot, de tweede zoon, meer en meer inwoners. Ook officieren uit het leger werden aangetrokken, want de geplande revolutie zou nooit lukken als het leger, of een gedeelte er van, zich niet bij de opstand zou aansluiten. Het feit dat er iets in het leger broeide kwam de koning ter oren. Hij kreeg in de gaten wat er gaande was.

Naast het leger is bij een revolutie het volk ook belangrijk. En dus moest het volk ook aan de kant van de tweede zoon gebracht worden. De revolutie was begonnen. Leden van het complot begonnen op straat leuzen te roepen. Zeer verleidelijke boodschappen werden rond geschreeuwd. En binnen de kortste keren schreeuwde een groot deel van het volk mee, zonder dat ze werkelijk wisten wat ze deden of riepen.

De strijd

De tweede zoon had met één punt geen rekening gehouden: zijn Vader. De koning had zijn eerste zoon aangesteld tot stadhouder en niet zijn tweede zoon. De tweede zou nooit zijn vader kunnen dwingen hem eerste te maken, de macht van de koning was daarvoor veel te groot. Hij leidde nu een revolutie die niets goeds in de zin had, maar alleen de bevrediging van de machtswellust van de leden van het complot. En de enige manier omdat te bereiken was door middel van dwang, en dat zou tot vernietiging van het rijk leiden.

De koning voor zag dat de vrije wil van zijn onderdanen in een rijk met zijn tweede zoon als leider geen bestaansmogelijkheid had. Ze zouden er niet kunnen leven. De koning gaf zijn eerste zoon en de opperbevelhebber van het leger de opdracht om met behulp van het trouw gebleven deel van het leger een einde aan deze opstand te maken. De troepen van de tegenstander en zijn aanhangers stuitten op het leger van de stadhouder. Het gevecht dat volgde was het hevigste dat tot dan toe ooit gehouden was. De troepen van de tweede zoon, die zijn koning afvallig was geworden, werden vernietigend verslagen.

De leden van het complot waren bekend en werden zonder pardon uit het rijk verbannen. Ze waren in opstand gekomen tegen de belangrijkste regels van het rijk. En hadden daarmee gekozen voor het niet leven volgens deze regels en dus voor een andere woonplaats buiten het rijk van de koning.

De vallei

Zowel de soldaten uit het leger van de tegenstander als het opstandige volk had niet nagedacht over het feit dat een dergelijke opstand fout was. Ze hadden niet gezien wat ze deden, niet opgelet en waren blindelings gevolgd. Hun misdaad was hierom lichter dan die van de leden van het complot, die het zich wel bewust waren. De koning vond dan ook dat verbanning een te zware straf was.

Deze inwoners van het rijk kregen een nieuwe woonplaats, niet in het gedeelte van het rijk waar de koning woonde. Nee, een aparte vallei werd hun nieuwe woonplaats. Nog altijd een juweel van een woonoord, vergeleken met het paradijs van de koning, maar toch minder. Hier zouden ze moeten kiezen of ze het met de opstand wel of niet gemeend hadden. In het ene geval was een terugkeer naar het rijk mogelijk, en in het andere geval zouden ze even zwaar gestraft worden als de leden van het complot: Verbanning. Iedereen wist dat het buiten het rijk van de koning niet bepaald een lustoord was, en ook iedereen zou de keuze gemakkelijk gemaakt hebben als de afvallige zoon en zijn kornuiten er niet geweest waren. De tweede zoon had in de tussentijd zijn eigen rijk gesticht buiten het rijk van de koning. De grens was een lange bergketen. Dit rijk had niet veel inwoners en dat beviel de tegenstander niet. Hij wilde regeren maar daar waren wel onderdanen voor nodig. En voor nieuwe aanvallen op het rijk van de koning was een leger nodig. En dat leger had hij ook niet. De inwoners van de vallei waren al half op weg om zijn onderdanen te worden dus waren zij een zeer interessante en de enige groep die voor onderdaan in aanmerking kwamen. De groep in de vallei had een leider. Als deze leider nu overgehaald kon worden om de kant van de tweede zoon te kiezen dan was de kans groot dat de inwoners uit de vallei hem zouden volgen en had de tweede zoon bereikt wat hij wilde. En zo gebeurde het dat een groot aantal boodschappers van de tweede zoon naar de vallei op weg gingen. Ook de koning stuurde boodschappers naar de vallei, om de inwoners daar over te halen naar de hun vroegere woonplaats terug te keren en dus niet te luisteren naar de leugens die de andere boodschappers zouden vertellen.

De koning had ze niet voor niets in de vallei gestopt en had dan wel gezegd dat als ze terug wilde en dit oprecht meende ook terug mochten. Maar de koning was ze liever rijk dan arm. Hij zou ze helemaal niet in het rijk terug willen. En zo dramde de handlangers van de afvallige zoon door. De boodschappers van de koning waarschuwden voor de ellende die ze op hun hals zouden halen als ze het rijk echt zouden verlaten, en voor de verleidelijke leugens die de tweede zoon liet vertellen. Ze wezen de inwoners er op dat hun leven in deze vallei geen straf was maar een plaats om in te zien dat ze voor het leven bij de koning moesten kiezen. De inwoners wisten niet meer wie te geloven en gingen te raden bij hun leider. Ook hij had problemen met het maken van deze keus. Zijn vrouw maakte voor zichzelf een beslissing en haar man die het ook niet meer zag zitten volgde haar voorbeeld. En ook de andere inwoners maakten deze keus.

Het plan

De inwoners werden uit de vallei geleid naar hun nieuwe toekomst. Dat dachten ze. De afvallige zoon zag met vreugde zijn nieuwe volk zijn rijk in trekken. Vrijheid was een woord dat hier niet bestond. De tegenstander had nu macht over een volk die hij voor geen prijs zou afstaan. De soldaten werden gedwongen een leger te vormen, de andere inwoners werden gedwongen dwang arbeid uit te voeren. En om te voorkomen dat zijn volk zou vluchten liet hij het gedeelte van zijn rijk tot aan de bergketen dicht groeien met de meest stugge en meest stekelige doornstruiken die er bestonden. Zijn macht was gebaseerd op angst, pijn, ellende en terreur. Alles wat juist tegen de regels van het rijk van zijn vader was. En hoe langer de terreur door ging hoe groter het hulp geroep uit deze hel werd.

Hoewel de koning wist dat zijn onderdanen het rijk van zijn tweede zoon, uit vrije wil, als hun woonplaats gekozen hadden kon hij dit gejammer niet aan horen. Aan deze ellende moest een einde gemaakt worden. Hij ontbood zijn tweede zoon te komen. Deze kwam omdat hij wist dat de koning hem niet gevangen zou zetten. Hij was namelijk al gestraft voor zijn misdaad met verbanning en hem straffen voor wat hij met zijn eigen volk deed was niet volgens de regels van de koning. Die onderdanen hadden daar uit vrije wil voor gekozen. Maar omdat deze terreur niet door mocht gaan stelde de koning voor om de onderdanen, die terug wilde naar het rijk van de koning om daar weer te leven, de mogelijkheid te geven terug te gaan. Ze zouden dan zelf op weg moeten gaan. De tegenstander ging akkoord. Hij wist dat de macht van de koning te groot voor hem was om te weigeren. Hij wist ook dat zijn onderdanen bij de tocht die ze zouden moeten gaan nog altijd in zijn rijk zouden zijn. Hij zou dus geen macht verliezen.

De vallei waar door de tocht zou moeten gaan was over het gehele oppervlak bedekt met een wildgroei van de doornstruiken. Deze was onmogelijk door te komen en dus moest er een pad aangelegd worden. Het plan van de koning was groter dan dat hij aan zijn tweede zoon had voorgelegd. Zijn eerste zoon kreeg de verantwoordelijkheid over deze reddingsoperatie. De eerste fase daaruit bestond uit het aanleggen van het pad. Het kronkelde door de vallei omhoog richting de pas die de toegang van het rijk van de koning betekende. De inwoners van het rijk van de tegenstander werden geïnformeerd over de mogelijkheid om terug te keren. En velen gingen op weg.

Het labyrint

De aanleg van het pad ging vaak langzamer dan dat de wandelaars konden gaan. Steeds hoger klommen de wandelaars richting de pas. Zelfverzekerd als ze waren schoten ze flink op, hoewel velen onderweg vielen en soms zelfs terug gleden. Het pad ging steeds meer kronkelen naarmate de weg hoger kwam. En hier maakte de tegenstander, die zijn onderdanen liever zag blijven dan gaan, gebruik van. Als het pad moeilijker te volgen zou zijn, zou het dus langer duren voordat de wandelaars bij de pas aan zouden komen.

De tegenstander had genoeg macht om onderdanen, die naar geaardheid bij hem hoorden, opdrachten te geven. Hij liet zijpaden aanleggen. Het aantal daarvan groeide zo sterk dat het pad al gauw in een labyrint veranderd was. Hij liet vallen er valkuilen aanleggen, die het labyrint onveilig maakte. De begroeiing was wel laag zodat iedereen nog wel kon zien waar iedereen ging maar afsnijden was onmogelijk door de doornstruiken. En iedereen kon iedereen vertellen wat hij of zij op hun weg waren tegen gekomen. De onderdanen van de tegenstander gingen zelfs zover dat ze wandelaars verleidden voor zich te laten werken, of ze mishandelden ze en dwongen ze een zijweg met vallen in te gaan.

De stadhouder echter kreeg de hulp van onderdanen van de koning, die de wandelaars adviseerden de goede weg te gaan en hen tegen de aanvallen van de afvallige onderdanen beschermde. Maar altijd alleen als de wandelaar het wilde. De pas kwam ondanks alle moeite van de tegenstander voor sommigen steeds dichterbij. En de wandelaars die de pas bereikt hadden werden daar door een leger van de tegenstander tegen gehouden. De wandelaars konden niet meer verder. De koning wist, bij het maken van zijn plan, voor de redding van zijn vroegere onderdanen, dat dit zou gebeuren. Omdat de wandelaars uit vrije wil naar de grens waren gekomen kon deze belemmering niet toe worden gestaan.

De boodschapper

De koning ging over tot het tweede gedeelte van zijn plan. Hier was een vrijwilliger voor nodig, die de eventuele aanvallen en verleidingen van de aanhangers van de tweede zoon zou kunnen weerstaan en de moed niet zou verliezen. Er waren een aantal gegadigden, maar omdat de eerste zoon de uitvoerder van zijn vaders plan was werd hij door hem gekozen.

De zoon drong het labyrint binnen als wandelaar. Hij wist hoe het labyrint in elkaar zat en wat het pad was dat hij had aangelegd en dus de weg die gegaan moest worden. Zijn opdracht was de andere wandelaars te leren hoe ze de misleidende zijpaden van het echte pad konden herkennen. Wandelaars die een verkeerde weg in waren geslagen gaf hij aanwijzingen over hoe ze terug naar het pad konden komen en hielp ze terug naar het pad te komen. Hij spoorde ze aan om de moed niet te verliezen en vertelde hun over de redding die kwam.

De tweede zoon vond dit alles behalve leuk. Het aantal dat door het labyrint zou komen zou hierdoor groter worden en hij wilde zijn onderdanen niet kwijt. En zo probeerde hij zijn broer te verleiden zich bij hem aan te sluiten, te dwingen te stoppen, de moed te laten verliezen, een afslag te laten nemen zodat hij zelf zou verdwalen. De tegenstander liet zijn broer slaan, schoppen en mishandelen. Het mocht niet baten. Vast beraden als de eerste zoon was, ging hij door.

Om te voorkomen dat deze zoon meer en meer mensen leerde het pad te bereiken, was er nog één oplossing over: hem gewoon kwijt raken. Hij verzon een list. Hij verspreidde een gerucht. Een gerucht dat automatisch door wandelaars en vooral verleidde wandelaars die dus eigenlijk aan zijn kant stonden, gebruikt zou worden om de eerste zoon de mond te snoeren. Het gerucht dat de eerste zoon de verkeerde weg wees. En niet lang daarna werd de stadhouder door mensen gepakt, in elkaar geslagen en weggegooid. Hij belandde buiten het labyrint.

De bevrijding

Ook met deze mogelijkheid had de koning in zijn plan rekening gehouden. Buiten het labyrint stond een gigantisch leger op hun aanvoerder, de eerste zoon, te wachten. Het werk dat de eerste zoon in het labyrint begonnen was moest hij nu afmaken: De bevrijding van het volk van de koning. Het vernietigen van de wachten bij de grens alleen zou de tocht die de wandelaars moesten gaan niet vergemakkelijken. Er moest meer gebeuren. Er moest voorkomen worden dat de wandelaars gedwongen werden een zijweg in te gaan, verhinderd worden dat ze in elkaar geslagen werden als de goede weg gingen.

Het leger trok, met de stadhouder aan kop, het rijk van de tegenstander binnen. Een strijd vergelijkbaar met die na de mislukte revolutie volgde. En ook nu weer moest de tweede zoon het onderspit delven. Hij dacht dat hij vernietigd zou worden, maar nee. Hiervoor was de stadhouder niet gekomen. Het was een reddingsoperatie en geen wraak actie tegen de tweede zoon. Zij die nog niet op weg waren gegaan werden daar toe aangespoord. En de tweede zoon werd gedwongen om iedereen die weg wilde, te laten gaan. Hij mocht voor hen geen belemmering meer zijn.

De wacht in de pas verdween en de onderdanen die de wandelaars tegengewerkt hadden werd de mogelijkheid ontnomen om te slaan, te mishandelen en te dwingen. De macht van de koning garandeerde dit. De mogelijkheid tot verleiding werd hun niet afgenomen want de wandelaars moesten, door sterk te zijn en door hun eigen wil, laten blijken dat het rijk van de koning hun doel was. Het doel van de weg terug was dat dit uit eigen vrije wil gebeurde. De keuze die gemaakt moest worden was voor de terugkeer en dus tegen het rijk van de tegenstander. Zou hun de mogelijkheid om te verleiden ook ontnomen worden dan was het pad bijna een geplaveid weggetje en niet een pad die men met de wil moest gaan. De eerste zoon ging nog voor korte tijd terug naar het labyrint en legde uit wat bereikt was, daarna keerde hij terug naar zijn vaders rijk om de komst van alle wandelaars te regelen, leiding te geven aan de hulptroepen en toezicht te houden op het gedrag van de tweede zoon en zijn handlangers.


--René Bakker