Uit SpiritueelChristen
De eigen overtuiging is het begin van de communicatie met anderen. Om deze overtuiging ook bij andere te leggen, richten we ons op het bewijzen.
Inhoud |
Een bewijs leveren
Een bewijs is een vorm van communicatie. Een communicatievorm die mensen gebruiken om hun ideeën op een zo duidelijke mogelijke manier aan anderen over te brengen. Een bewijs moet zonder twijfel aan een ander duidelijk maken dat iets is zoals gesteld wordt. Maar het blijft een manier van communiceren en heeft dus zo zijn beperkingen. Twee mensen die niet dezelfde taal spreken kunnen elkaar niet verstaan en elkaar daardoor minder goed begrijpen. Er zijn afspraken, in de vorm van een taal, nodig die de communicatie mogelijk maakt. Bij een bewijs geldt precies het zelfde. We willen door middel van bewijzen het ergens eens over worden. Maar dan moeten we het eerst eens worden over de manier waarop we over het bewijs communiceren. De taal van deze communicatie moet ook door beide partijen begrepen worden. In de wetenschap en bij justitie wordt o.a. gebruik gemaakt van de wiskunde en de statistiek voor het berekenen en controleren of iets waar is. Daar naast is het natuurlijk ook erg belangrijk dat we het over één en hetzelfde hebben. Als de ene bij bloem denkt aan een deel van een plant en de ander aan meel voor het bakken van brood, wordt het niet veel duidelijker.
Soorten van bewijs
Er bestaan meerdere soorten van bewijs die we gebruiken om onze overtuigingen aan een ander duidelijk te maken.
Het wiskundige bewijs
Als men het eens is over de meetmethode en over de meting, is een bewijs te leveren. In de wetenschap en de techniek wordt deze vorm van bewijs zeer veel gebruikt. Afhankelijk van de acceptatie van de manier waarom het bewijs geleverd wordt, is het bewijs hard en overtuigend.
Deze vorm van bewijs werkt goed om aan iemand anders aan te tonen dat iets zo is als gesteld is. Maar werkt alleen als beide partijen de regels en meetmethoden accepteren. Een wiskundig bewijs is vaak hard omdat de regels van de wiskunde aangeven wat wel en niet mogelijk is. Het is te berekenen, te herhalen en de controleren.
Maar als er een fout gemaakt wordt is het bewijs weer zo zacht als boter. Bijvoorbeeld als twee mensen aantonen, aan elkaar, dat een plank van een meter langer is dan een meter omdat ze een meetlat van een yard gebruiken. Ze hebben samen afgesproken, zonder het te weten, dat deze yard meetlat een meter lang is. De fout komt pas aan het licht als blijkt dat een echte meetlat van een meter naast de plank gehouden wordt. Het bewijs dat de plank een meter lang is wordt dan geleverd als de nieuwe meetlat geaccepteerd wordt als meter.
Een bewijs kan geleverd worden door één enkele meting. En iedereen die ook overtuigd wil worden kan de meetmethode herhalen en controleren.
Het statistische bewijs
Als iets niet meer via een duidelijk afgesproken regel te bewijzen is, zoals bij een wiskundig bewijs komt de statistiek er aan te pas. Dit omdat het soms wel en soms niet aantoonbaar is. Een bewijs kan dan alleen aangetoond kan worden als er een duidelijk verband is tussen de twee zaken waar tussen een relatie schijnt te zijn, of niet natuurlijk. En het bewijs geld alleen voor een groep dingen, mensen, dieren of andere zaken.
Bij een statistisch bewijs wordt altijd een meting gedaan aan een grote groep. Om een verband aan te tonen tussen roken en eerder sterven moet een meting over een grote groep uitgevoerd worden. Van één enkel individu is dit nooit aan te tonen. Hij of zij kan niet tegelijk wel roken en niet roken. En er kan ook niet gemeten worden wanneer het individu sterft als deze niet rookt dan wel wanneer deze zou sterven bij wel roken. Het moment van sterven kan niet nog eens worden overgedaan, dus zegt de statistiek dat een ander dat dan moet doen. De groep bestaat dan uit twee. Maar die ander zou ook aan een ongeluk kunnen overlijden, dus een verband met roken is er dan niet.
Dus is een zeer grote groep nodig om een duidelijk verband aan te kunnen tonen. Maar het enige wat bewezen wordt is dat roken een verhoogde kans geeft op eerder overlijden. Maar geen garantie. Mee doen aan de loterij vergroot de kans op winnen, maar geen garantie dat je ook wint. En dat is ook de zwakte van statistiek. Het toont aan dat iets kan, mogelijk is, dat er kans op of juist geen kans is. Maar dat zegt nog niets over de werkelijkheid van het individu. Deze zal nooit weten of hij of zij langer leeft als er met roken gestopt wordt, want dat valt niet te controleren. Statistiek werkt om die zelfde reden ook niet voor kleine groepen, want er zijn nog zoveel factoren die kunnen meespelen.
Om een statistisch bewijs te leveren wordt een meting zeer veel gedaan op zeer veel individuen uit een groep om daar mee een verband aan te tonen.
Het juridische bewijs
Als er een misdrijf gepleegd is. Iemand heeft iets gedaan dat niet door de beugel kan. En er moet aangetoond worden dat deze persoon dat en dat gedaan heeft, komt vaak weer een ander bewijs naar voren: het juridische bewijs. Statistiek is niet toepasbaar want het gaat om een individu. Er bestaat geen relatie met een grotere groep want er hoeft niets van die groep bewezen worden, alleen van het beschuldigde individu. Een wiskundig bewijs is niet altijd te geven want wat er gebeurd is valt niet altijd te meten. Laat staan dat het herhaald kan worden om de uitkomst te controleren. Het gebruik van sporen, DNA, en soort gelijke te meten methoden maakt een bewijs aannemelijker en harder. Maar elke afzonderlijk spoor of meting kan ook toevallig of vervalst zijn.
Daar gaat het bij het juridische bewijs om: het aannemelijk maken van..., door een zo groot mogelijk aantal aanwijzingen, getuigen verklaringen en verbanden aan te voeren. Elk individueel bewijs is niet hard genoeg, maar door een veelheid van aanwijzingen wordt het steeds aannemelijker. De kans wordt steeds kleiner dat het niet zo is.
Dus door zeer veel niet harde stellingen te bewijzen, of aannemelijk te maken, wordt het totaal bewezen. Bij statistiek wordt dezelfde meting zeer veel gedaan op zeer veel individuen uit een groep. Bij een juridisch bewijs worden veel verschillende metingen gedaan om iets te zeggen over één individu. Maar het blijft bij aannemelijk maken.
Overtuiging
Al deze vormen van bewijs gebruiken we om onze eigen overtuiging naar een ander over te brengen. Deze overtuiging willen we ook voor een ander duidelijk maken. Met argumenten proberen we aan te tonen dat ons idee ook echt waar is.
Als twee mensen van elkaar houden en verliefd zijn, is dat de ervaring en de beleving van deze twee mensen. We kunnen deze situatie gaan analyseren om aan te tonen of het klopt. Wat gebeurt er met deze mensen nu zij verliefd zijn? We kunnen hun gedrag observeren. Een hersenscan maken en metingen aan hormoonspiegel in het bloed doen om ons informatie te bieden. We kunnen meerdere stelletje gaan observeren. Bij wijze van spreken kunnen we de verliefdheid tussen deze twee mensen tot op de molecuul ontleden. We gaan dan echter volledig voorbij aan de persoonlijke beleving van deze mensen. Zij hoeven hun liefde voor elkaar niet te bewijzen. Zij ervaren die en wat heb je dan nog meer nodig? Daar komt nog bij dat we nooit deze persoonlijke beleving kunnen bevatten. Pas als we het zelf ervaren kan het ook een eigen beleving worden. Het zien van het noorderlicht moet je zelf ervaren hebben om de beleving te kennen. Elke beschrijving of andere manier om dit aan iemand anders duidelijk te maken haalt het niet bij de eigen ervaring. Bij het noorderlicht kunnen we de ervaring nog op zoeken door naar het hoge noorden af te reizen. Verliefdheid is echter niet op te roepen en dit geldt helemaal voor het houden van iemand. Het overkomt je en je mag het ervaren.
Het gevoel van verliefdheid of een ervaring als het zien van het noorderlicht is iets persoonlijks en kan de eigen overtuiging onderbouwen. Het bewijzen van deze ervaring is volgens de gangbare bewijsmethoden niet mogelijk. Onze taal is te beperkt om iemand anders van onze ervaring te overtuigen en daarmee een bewijs te leveren.
Het wordt nog moeilijker als de dingen die we willen bewijzen, niet te meten zijn. Dat ze niet in een experiment te herhalen zijn. Niet te berekenen of te voorspellen zijn, en niet te observeren zijn. Is het dan aangetoond dat het niet bestaat? Is God te bewijzen?
Het bewijs van God
Hoewel het hele uitgangspunt, om het bestaan van God te kunnen bewijzen, nogal krom is, is het toch interessant om hier even, als een voorbeeld, in het kort langs te lopen. Kunnen we iets met het wiskundige, statistische of juridische bewijs, als we een bewijs voor het bestaan van God willen aantonen?
Het onderwerp
Om het bestaan van God te kunnen bewijzen zouden we het eerst eens moeten worden wie of wat God is. Dit is een probleem wat al duizenden jaren speelt en niet zo één, twee, drie op te lossen is. Dit komt omdat God groter en onbegrijpelijker is dan wij mensen kunnen begrijpen. Maar zelfs als we allemaal een klein beetje van Hem kunnen begrijpen dan zouden we met ze allen samen nog steeds nagenoeg niets van Hem snappen. Omdat we allemaal maar een klein beetje begrijpen hebben we ook allemaal een ander beeld van Hem. Dit maakt het eens worden over het onderwerp dat bewezen zou moeten worden niet echt makkelijker. We kijken allemaal door een ander kleur glas naar hem en ruziën er over welke kleur Hij heeft. Als we God niet kunnen begrijpen en we allemaal een ander godsbeeld hebben, hoe kunnen we ooit aan elkaar bewijzen dat ons idee van God het juiste is. Afgezien van dat ons eigen beeld ook al niet klopt.
De meting
Om Zijn bestaan en dus aan- of afwezigheid te kunnen bewijzen moeten we Hem kunnen meten. Als we de werking van een lamp willen meten, moeten we de lamp aan een uit kunnen zetten. Zo kan je zien wat het verschil is tussen een lamp die aan is en één die uit is. Is er een verschil en was er meer licht toen de lamp aan was dan gaf de lamp dus licht. Maar bij God kunnen we Hem niet aan of uit zetten om te kijken wat het verschil is. Dit observeren is een probleem. Omdat we niets meter zou dat aan kunnen geven dat Hij er niet is. Maar misschien meten we verkeerd en denken we dat we niets meten. Maar Hij zou ook altijd aanwezig kunnen zijn. Het verschil zien tussen een lamp die aan is en een lamp die aan is blijft moeilijk.
Daar komt nog bij dat alle manieren die wij mensen hebben om dingen te meten, te maken hebben met onze wereld waarin wij leven. Met een meetlat meet je een afstand, met een snelheidsmeter een snelheid, met een voltmeter een elektrische spanning, etc. Bij al onze meetmethodes maken we gebruik van een verschil. Een verschil in snelheid, afstand, lichtintensiteit. Bij God is echter geen verschilmeting uit te voeren.
De berekening
Zou God door middel van een berekening of redenering te bewijzen zijn. Hierbij wordt uitgegaan van het idee dat wij God kunnen begrijpen en vatten in een voor ons begrijpbare taal: de wiskunde of gewoon Nederlands. Helaas dit gaat niet. We kunnen God niet bevatten, net zoals we niet de gehele zee in een kuiltje op het strand kunnen scheppen. Hem beschrijven volgens de regels van een bepaalde taal is te vergelijken met het bewijzen van de relativiteitstheorie van Einstein met alleen de spelregels van ganzenbord. Dit is ook onmogelijk omdat de ganzenbordregels totaal niet te gebruiken zijn voor zo iets als de kromming van licht door zwaartekracht. Geen van onze wetten en regels, die wij kunnen begrijpen, hebben enige vat op God. Om de hele eenvoudige reden dat al onze wetten en regels van de materiële wereld zijn en God van de geestelijke wereld is.
De observatie
We hebben geen kolonie van meerdere goden die we kunnen observeren of waar we statistiek op uit kunnen voeren, dus observatie wordt ook wat moeilijk. Helemaal omdat we Hem blijkbaar zo moeilijk in onze wereld constateren. We kunnen wel kijken naar de mensen die geloven in een God. Zoveel mensen, zoveel overtuigingen die niet allemaal met elkaar overeenkomen. En zelfs vaak met elkaar is tegenspraak zijn. Dus hoe betrouwbaar de ooggetuigen zijn is discutabel.
We kunnen kijken naar Zijn schepping. Hoe fantastisch en ongelooflijk dit alles is. Omdat wij niet begrijpen hoe dit ontstaan of geschapen is toont dit nog niet het wonder van de schepping aan. Het laat alleen zien dat wij mensen het ons niet kunnen voorstellen.
De wetenschap bekijkt de schepping en probeert te begrijpen hoe deze geworden is zoals deze nu is. Hoe meer er begrepen wordt hoe meer duidelijk wordt dat er natuurwetten en regels zijn die bepalend zijn voor het ontstaan van de dingen. Er is nog geen steen gevonden met het opschrift “made by God”. Dit zal ook nooit gevonden worden en we zullen steeds beter begrijpen hoe ons universum in elkaar steekt.
Het bewijzen van het bestaan van God door te wijzen op het onbegrijpelijke van zijn schepping zegt alleen iets over ons en niets over Hem. Het toont ook hoe krampachtig we vaak bezig zijn om ons geloof in God te verdedigen.
Een eenduidig bewijs dat eens en voor altijd duidelijk maakt of God er wel of niet is blijft altijd achterwege. Bewijzen blijven middelen van onze materiële en zintuiglijke wereld.
Geen bewijs nodig
Zoals ik al schreef is het uitgangspunt om God te bewijzen nogal krom. Als wij geen controle over Hem hebben om Hem aan te tonen zou het misschien handig zijn als Hij zichzelf aantoonde. Zo van bliksemschicht, onvoorstelbaar wonder, boem en “Hallo hier ben Ik”. Maar dit doet Hij niet. Dit heeft Hij nooit gedaan en zal Hij ook nooit doen. Gewoon, omdat dit niet nodig is. Maar waarom laat Hij ons dan zo in het onzekere over zijn bestaan?
Onze schepping is er omdat God ons terug naar huis wil hebben. Hij biedt ons een mogelijkheid om terug naar Hem te komen, als wij dat zelf willen. Deze stap om naar huis te gaan is de keuze om de liefde als basis van ons leven te nemen. Deze liefde wordt door Hem onvoorwaardelijk aangeboden en een iedere die het wil ontvangen zal het krijgen. De liefde die wij hebben, komt bij Hem vandaan. Daarbij is het bewijzen of Hij wel of niet bestaat totaal niet interessant. Of Hij nu geel, paars of groen met een goud randje is maakt niet uit, Hij blijft de oorsprong van alle liefde en biedt deze aan. Of we Hem nu God, Allah, Jahweh of wat dan ook noemen, of zelfs geen naam geven, is ook niet belangrijk.
God hoeft zichzelf niet te bewijzen. Onze eigen onzekerheid vraagt dat wij graag een bewijs willen. Maar dan gaan we er vaak vanuit dat wij overtuigd willen worden. God klopt op de deur en wacht rustig tot we de deur van ons hart uit eigen vrije wil open. Hij forceert de deur niet en laat ons vrij in de keuze om de deur wel of niet te openen. Dus een houding van “Toon maar dat U er bent” zal hij niet beantwoorden door de deur in te breken.
God komt tot de mensen door hun hart heen, dus via onze binnenwereld. Het bewijs dat we vaak zoeken is een manier van communiceren en overtuigen van onze buitenwereld. Onze buitenwereld is waar we dingen kunnen meten, observeren en mensen kunnen overtuigen van ons gelijk. God zal niemand willen overtuigen door zijn hart te openen, en ook niet door voor ons zintuiglijke bewijzen. Iemand die zelf zijn hart voor Hem opent zal Hem vinden. Op de manier die voor hem goed is. En wat dan overblijft, is een eigen overtuiging die duidelijker kan zijn dan welk ander menselijk bewijs. Dus het enige bewijs dat iemand persoonlijk kan krijgen of God bestaat, is gewoon door het Hem te vragen. Zijn hart te openen en vol overgave willen ontvangen. En wees dan verwonderd.

